|
De klimaatproblematiek wordt één van de kernthema's van de 21ste eeuw. De opwarming van de aarde bedreigt immers niet alleen de natuur maar ook de mens. Het is een thema dat binnen liberale kringen in het verleden al te weinig aandacht kreeg. Nochtans zijn er niet alleen ecologische, sociale en maatschappelijke redenen om dat wel te doen, er zijn ook uitgesproken liberale ideologische argumenten om dit probleem in het middelpunt van de politieke belangstelling te plaatsen.
Tegenstanders van het liberalisme hoor je soms beweren dat liberalen helemaal geen aandacht zouden besteden aan het milieu omwille van hun focus op loutere economische ontwikkeling. Die veronderstelling is een grote misvatting, maar is - toegegeven - vaak mee in de hand gewerkt door het beleid onder liberalen dat al te weinig rekening hield met de ecologische problemen. Liberalen komen op voor het recht op zelfbeschikking van elk individu, dus ook voor het recht op zelfbeschikking van anderen, en dus ook van de toekomstige generaties. In de relatie tussen economie en milieu staat het liberale schadeprincipe voorop: iemands vrijheid eindigt waar die vrijheid anderen dreigt te schaden, zo werd het al neergeschreven door John Stuart Mill in zijn beruchte On Liberty .
In het initiële liberale denken zat dus reeds dit element van duurzaamheid vervat. Het is nu zaak die gedachte verder ingang te laten vinden in de liberale beweging en in de maatschappij. Voor liberalen kan de toekomst alleen maar groen zijn.
We hebben nood aan een nieuw systeem om onze economie aan te drijven. Er is geen gebrek aan energie, het is een kwestie van ze op te vangen. De zon geeft elk uur meer energie af dan we momenteel in een jaar verbruiken, drie keer meer energie dan alle energiecentrales samen. Maar we hebben een markt voor deze schone energie nodig. Het creëren van een prijssignaal is dus onontbeerlijk. Een eenvoudige en transparante optie is om een CO2-taks in te voeren. Een dergelijke belasting maakt het duurder om olie, steenkool en andere fossiele brandstoffen te verbranden. Daardoor zal bijvoorbeeld het transport met behulp van fossiele brandstoffen duurder worden ten voordele van andere vervoersvormen zoals de trein en de elektrische auto. Met andere woorden, als we het juiste regelgevende kader maken (in dit geval een CO2-taks), dan kunnen we de vrije markt als hefboom gebruiken om zo resoluut de stap te zetten van een fossiele economie naar een groene economie.
Een CO2-taks is echter niet altijd en overal de beste manier. Er is ook dringend nood aan een beleid dat particuliere bedrijven en universiteiten aanmoedigt om meer aan onderzoek en ontwikkeling te doen én investeerders aanzet om de doorbraken die in de laboratoria van de overheid, de universiteiten of particulieren worden bewerkstelligd sneller uit te zetten op de markt. Vooral voor fundamenteel onderzoek en ontwikkeling zijn overheidssubsidies nodig. Maar ook dit zal niet voldoende zijn: w at betreft verpakkingen, voertuigen, ijskasten, verlichtingssystemen kan de overheid reglementeringen opleggen, bijvoorbeeld overeenkomstig het principe van 'cradle to cradle'. Dit concept van 'wieg tot wieg' betekent dat we alles laten deel uitmaken van een gesloten cyclus zodat we producten keer op keer kunnen hergebruiken.. Het is dan ook in de geest van deze visie dat liberalen, in het belang van onze toekomstige generaties, aan politiek moeten doen.
Met dit driesporenbeleid (een CO2-taks, subsidies voor fundamenteel onderzoek en productreglementering) zal onze economie transformeren en vele nieuwe groene banen creëren op terreinen als onderzoek, productie en constructie, alsook tal van nieuwe bedrijven doen ontstaan. Tegelijk worden we minder afhankelijk van geïmporteerde energiebronnen, zoals olie en gas. Wereldwijd moeten we komen tot de oprichting van een Wereldenergie-organisatie (WEO), in navolging van een Wereldhandelsorganisatie (WTO), om internationale ambitieuze wereldstandaarden af te spreken en te kunnen afdwingen.
Behalve de voordelen die een vergroening van de economie hebben, zoals jobs en energie-onafhankelijkheid, is er ook een belangrijke ethische reden om te vergroenen. Het zijn immers wij, de rijke landen, die de voornaamste veroorzaker zijn van de huidige klimaatverandering. Paradoxaal genoeg zijn het net de landen die het minst de problemen veroorzaakt hebben die het meest getroffen zullen worden door de klimaatgevolgen én die de minste mogelijkheden hebben om de gevolgen ervan de baas te worden. Harald Welzer stelt in zijn boek 'De Klimaatoorlogen' terecht dat de bestaande mondiale ongelijkheden in levenskansen door de klimaatverandering zullen toenemen. Afrika is op dat vlak het meest kwetsbare cont ine nt. De Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) voorspelt bijvoorbeeld dat al in 2020 tussen de 75 en 250 miljoen Afrikanen onvoldoende drinkwater zullen hebben. De armste landen eisen dan ook met reden dat de rijke landen zwaardere verplichtingen nakomen en hen financieel compenseren. De klimaattop van Kopenhagen moet op dit punt een kentering veroorzaken. De financiering en technologische steun aan de ontwikkelingslanden vormt dan ook één van de belangrijkste uitdagingen van deze top.
Tot slot nog dit: wat ecologische doemdenkers vaak vergeten, is dat een beter milieu enkel mogelijk is binnen een liberale democratie. In tegenstelling tot autoritaire stelsels (zoals in Rusland, China, Cuba en Noord-Korea) kennen we in democratieën tal van tegenkrachten zoals groene partijen, consumentenverenigingen en vakbonden die de politiek en het bedrijfsleven dwingen om minder vervuilende producten te maken. De grootste milieurampen vonden en vinden plaats in landen waar men geen liberale democratie kent. Ecologische doemdenkers onderschatten ook de waarde van concurrentie en creativiteit om te komen tot nieuwe en ecologisch betere producten. Juist in die landen waar liberale democratische grondrechten bestaan, worden de meeste octrooien en patenten aangevraagd en toegewezen. En die zijn net de stimulans voor de ontwikkeling van allerlei zaken die de mensheid ten goede komen, denk aan de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen. Creativiteit moet dan ook aangemoedigd en zelfs beloond worden. We moeten stoppen met bedrijven als boemannen te aanzien, want het zijn juist zij die zorgen voor werkgelegenheid, maar ook voor innovatie, research en development. Dat betekent evenwel geen 'laisser faire'. Vanuit de overheid kunnen we normen vastleggen waaraan nieuwe producten inzake veiligheid en milieuvriendelijkheid moeten voldoen. Het liberalisme is dus niet het probleem voor het milieu, maar juist de oplossing.
|